Lovende jazzconcertrecensie over Vincent Grit: Draai om je oren

 

Drie dagjes naar het strand
Strandhotel Jazzdagen, 24-26 november 2017, Strandhotel Formerum, Terschelling
Een blond kereltje, jaar of drie, vier misschien, staat nieuwsgierig naar de band te kijken. Dan komt hij in beweging, maakt een paar danspasjes om vervolgens met zijn zusje door de zaal rond te gaan rennen. “Het komt ook vanuit dans,” zegt pianist Vincent Grit. “Ik vind dat als je jazz goed speelt, dan is het eigenlijk een soort dans.”Een festivalverslag door Eddy Determeyer.

De meest krankzinnige frasen
Drie dagen lang beukt een twaalftal muzikanten in het Terschellingse Strandhotel tegen de elementen in. Buiten geselt een zuidwesterstorm de zee en de duinen. Het begrip ‘wandelende duinen’ moet je hier tamelijk letterlijk opvatten. Het zand is overal. De dakgoten. Het terras. Het meubilair van het terras. De parketvloer. Het vormt een bleek patina op het binnenwerk van de piano. De voeten van Vincent Grit – hij speelt bij voorkeur op sokken – hebben cirkels in het zand onder zijn instrument gedraaid.

Wanneer hij achter het klavier plaatsneemt voltrekken zich kleine wonderen. Zijn springerige geest laat zich gelden. In zijn hoofd wedijveren de meest krankzinnige frasen met elkaar en de sterkste halen zijn vingers. Hij lokt wederwoord uit bij zijn medespelers. Van tijd tot tijd grijnst hij naar opzij, naar het publiek: dat hebben jullie toch ook gehoord? Hij is een bijzonder gretige muzikant, die tijdens zijn omzwervingen in het aloude ‘All The Things You Are’ daar zowaar nieuwe modulaties ontdekt.

De Strandhotel Jazzdagen zijn een initiatief van eigenaar Alex Kuiper. Hij engageert met regelmaat jazzcombo’s in zijn hotel. Gewoon, omdat hij dat plezierig vindt. “Toen ik hier begon had ik al een paar keer Bert [van Erk] gevraagd en toen kwam het er niet van,” verduidelijkt hij tijdens een van de schaarse momenten dat hij zich niet tussen de keuken en het restaurant rept. “Op een gegeven moment hebben we het maar gepland. Dus gewoon, eens in de maand, eens in de drie weken livemuziek. Nou, dat doen we nu al vijf jaar. Zaterdagavond en op zondagmiddag. Ik doe het vooral omdat ik het zelf erg leuk vind en dan is het hartstikke fijn dat er ook andere mensen komen genieten.”

Verbijsterend goed
Bassist Bert van Erk, uit het Groninger dorp Kantens, regelt de jazzschnabbels. “Er zijn nog een paar andere orkesten die direct met Alex afspreken, maar het jazzdeel loopt over ons. We kennen Alex al veel langer, we kennen hem als horecaman, juist op plekken waar muziek was, waar jazz was. Overstag [in Groningen]. En hij heeft ook nog eind jaren negentig een paar jaar de catering gedaan van het Prins Claus Conservatorium. Uit die tijd kent hij ook weer heel veel Groninger muzikanten.”

Van Erk stelt de wisselende combinaties samen voor deze swingende driedaagse. De meeste muzikanten kennen elkaar – maar niet allemaal. De verrassingen zijn legio, zeker wanneer op de vrijdagavond ineens twee nieuwe blazers die lesgeven op het eiland zich bij het gezelschap voegen. Saxofonist Tim de Vries en trombonist Eric Roelofsen. Die eerste is net afgestudeerd aan het Prins Claus Conservatorium – en hij is verbijsterend goed. Op alt heeft hij een vorstelijk, ouderwets gonzend geluid. In ‘But Not For Me’ klinkt hij bijna zo rauw als Earl Bostic. Bij wijze van contrapuntisch commentaar gooit hij er waar dat past een lick van Sy Olivers ‘Opus One’ door. We zijn helemaal klaar voor het feest, lijkt hij te zeggen. In ‘Angel Eyes’ blazen de gasten fonkelende harmonieën achter de doorleefde zang van de met een lenige, glasheldere stem (en engelenogen) begiftigde Linda Molenkamp. Adembenemend.

“U heeft toch dat boek over Jimmie Lunceford geschreven,” vraagt Tim als we naar een rustige ruimte achter het restaurantgedeelte lopen. “Met Jimmy Crawford en zo?” Ik ben te verbouwereerd om er op in te gaan en kan alleen maar instemmend mompelen.

Ouderwets-degelijk
Hij telt 24 lentes en is gek van ouderwets-degelijke bigbands. “Ik hou van swing, dat geeft altijd het gevoel dat ik daar lekker op kan dansen. En ook wíl dansen. Arrangeren voor een bigband vind ik nog leuker.” ‘s Ochtends op de boot naar Terschelling, waar hij elke vrijdag lesgeeft, had De Vries een collega ontmoet. Samen ontbeten en gewoontegetrouw even Facebook gecheckt. Toen waren ze er achtergekomen dat er ‘s avonds in het Strandhotel een jazzconcert zou zijn. “Zodoende ben ik hier voor het eerst en, ja, het is gewoon vet gezellig. Het is hier prachtig.” Denk nu niet dat Tim de Vries zich in de praktijk beperkt tot het afdraaien van ‘Stompin’ At The Savoy’ en ‘Ain’t Misbehavin’. “Ik doe ook verschillende deejay-klusjes. Dat bevalt heel goed. Ik heb een vaste deejay met wie ik werk. Is meer funky, is eigenlijk meer de kunst van het weglaten. Het zijn vaak achtergrondschabbeltjes, maar er wordt ook wel eens op gedanst.”

Nicotinegenot
Het Strandhotel dateert van na de oorlog, maar het interieur straalt een tijdloze sfeer uit. Vele jaren van nicotinegenot resulteerden in een teerbruine waas op muren en plafond. (Teer in de zin van gevoileerd, niet van bitumineus.) Aan de zeekant hangen posters van vooroorlogse lijndiensten, met de Doppelschrauben-Schnellpostdampfer ‘Kaiser Wilhelm II’, die fier de woelige baren doorklieft in het midden. Aan weerszijden zeekastelen van de Cunard Line, de New Zealand Shipping Company Ltd. en andere firma’s die destijds in droomreizen deden. Boven de faux-open haard hangt het gewei van de laatste waddeneilandeneland die in 1873 werd afgeschoten. Drummers Elmer Bergstra en Jeroen van Olphen voeren hun negotie uit onder een levensgroot (schat ik) schilderij van een zeemeermin in zweefduik. Ook de glas-in-loodramen en de van koperen buizen voorziene glazen klapdeuren dragen bij aan de sfeer van nostalgie en geborgenheid.

Gasten druppelen binnen op stevige stappers, gehuld in beenwindselen, pilobroeken, ruimschoots voldoende lagen vesten en truien, shawls waar Isadora Duncan jaloers op was geweest en mutsen waarmee ze zó de jihad kunnen aangaan. Nog een beetje daas van de waarlijk waanzinnigste wolken ter wereld, buiten boven het ruim bemeten strand. Sommigen zijn voorzien van honden in alle soorten en maten, tot poolwolven toe, aan meterslange lijnen.

De vreemdste muzikale eend in de bijt is pianist Jasper Blokzijl. Eigenlijk is hij vooral actief in de popwereld, onder meer als lid van de groep Henkus. Maar hij kent zijn klassieken. Duikt in en uit de akkoorden van het nummer ‘Wave’, houdt ervan als een jonge hond met een thema te dollen (waarbij de aanwezige viervoeters niet zelden luidkeels van hun instemming blijk geven) en kan een orgelende cascade aan tonen aan de piano ontlokken óf als een soort Basie anno 2017 geïsoleerde nootjes aanvinken.

Duidelijk de hopman
Om half elf zaterdagavond, de muzikanten hebben er dan bijna een half etmaal opzitten, verklaart sessieleider Bert van Erk de bijeenkomst voor gesloten. “Nu begint de nazit.” Maar zijn woorden zijn nog niet koud of hij bevindt zich alweer op het podium, om samen met tenorsaxofonist Gerben Wasser ‘On The Sunny Side Of The Street’ te spelen. En vervolgens staan er weer zes muzikanten die eendrachtig ‘So What’ onder handen nemen. Het nummer krijgt een compleet nieuw jasje. De drank versoepelt de communicatie. Met name bij Wasser, die in weerwil van zijn naam in bier noch whisky spuugt, krijgt de muziek wazige, om niet te zeggen mysterieuze trekjes.

“Voor mij was het eind van de avond steeds een hoogtepunt,” stelt Vincent Grit achteraf. “Hadden we lekker gegeten en dan merkte ik gewoon dat iedereen ging ontspannen. Het belangrijkste van mijn muziek is toch wel connecties maken. Ook om weer eens met [gitarist] Winfred Buma en Gerben Wasser te mogen optreden. Wat zijn zij toch uitzonderlijk begaafde musici en zij begrijpen de zoektocht naar contact en interactie in het samenspel. Ze kunnen ook nog eens prachtige en avontuurlijke ideeën spelen.”

“Mensen die naar jazz luisteren zijn geïnteresseerd in iets ánders te horen,” zegt Van Erk over het publiek van de Strandhotel Jazzdagen. “Die zijn geïnteresseerd in een soort van kwaliteit. De kans op verrassing. De mensen die de moeite willen nemen om ergens naartoe te gaan en te luisteren, ook nog. Dat klopt heel aardig met wat ik kwaliteitstoeristen noem.”

Op het podium is hij duidelijk de hopman. “‘Take The A-Train’ met intro in G; eigenlijk C in G.” En hup, daar rijden we weer met z’n allen met Strayhorn Railways – al bevinden we ons hier hemelsbreed op dertig kilometer van het meest nabije station.